Wat hij niet mist als gepensioneerd arts
“Wat ik niet mis aan mijn werk zijn de periodieke management-gesprekken in het ziekenhuis. Elke vier maanden weer: ik heb er 51 gevoerd, over financiën, over kwaliteit, altijd over dezelfde dingen, zonder dat er veel veranderde. Artsen zijn natuurlijk heel eigenwijze, autonome mensen. Móói, die autonomie, maar voor veranderingen binnen een organisatie wel fnuikend. Heb je bijvoorbeeld met z’n allen tijdens een vergadering iets besloten, dan komt er achteraf een arts met: ik was er niet bij, dus ik ga niet mee met dat besluit. Of je besluit vanwege de kosten bepaalde chirurgische instrumenten in het groot in te kopen, dan is het van: doe ik niet aan mee, ik heb mijn eigen favoriete mesje. Ik net zo goed hoor, ik had ook een ’schaartje van Baatenburg’. Kon dat niet anders? Ik weet het niet. Ik weet wel dat ik ontregeld was als die schaar er niet was.”
"Het idee dat ik met pensioen moest, vond ik vreselijk. Want eigenlijk ben ik een workaholic. Zou er ’een leven ná’ zijn? Tijdenlang hing dat pensioen als een bedreiging in de lucht. Ik had natuurlijk kunnen gaan waarnemen in andere ziekenhuizen of gaan opereren in Afrika, maar ben ik voor de algemene praktijk nog wel geschikt? En ben ik chirurgisch nog zo goed als ik ooit was? Je wilt toch geen tweederangs chirurg in de derde wereld zijn. Oog-hand-coördinatie, reactiesnelheid, alles neemt af naarmate je ouder wordt, zoveel is duidelijk. Vorig najaar was het zover. Dan krijg je een prachtig afscheid en sta je op straat. Wat ik zou gaan doen, wist ik op dat moment nog niet, maar ik heb me wel voorgenomen om mezelf opnieuw uit te vinden. En nu is mijn conclusie: dat kan wel degelijk.”